v.l.n.r.
Frits Bouwmeester
Hetty Berger
John de Freese
Daan van Ollefen

(in de controlekamer)
Andre du Bois en
Gerard v.d.Braak

(aan de tafel)
Wim Bary
Stan vanKerckhoven
Frans Vasen
Charl Mogler


1952 KRO studio 3


       


De andere omroepcomponenten


De conclusie zou getrokken kunnen worden dat het hoorspel in de beginjaren alleen een zaak van de AVRO is geweest. Niets is minder waar, want met name de VARA heeft evenzeer bijgedragen aan de ontwikkeling van het hoorspel in de vooroorlogse jaren. De KRO en de NCRV hebben, mede door hun confessionele grondslag in de beginperiode geen doelbewust hoorspelbeleid gevoerd. De NCRV begon pas in 1947 met het uitzenden van hoorspelen, die uiteraard zeer christelijk georiënteerd waren. De KRO was al wel enige jaren voor de oorlog begonnen, maar toen was het de kinderschoenen toch al ontgroeid. De VPRO tenslotte had te weinig zendtijd om er een hoor spelafdeling op na te kunnen houden.

Bij de VARA is de ontwikkeling van het hoorspel wel anders gegaan dan bij de AVRO. Het was, zeker in de beginjaren, meer een middel om hun politieke inzichten op de luisteraar over te brengen en zij lieten zich dus niet, zoals bij de AVRO, uitsluitend door artistieke motieven leiden, maar richtten zich vooral op het luisterspel met een socialistische inslag. De eerste man op het hoorspelgebied van de VARA was Willem van Cappellen, die in 1929 in dienst trad.

Niet als hoorspelregisseur, dat zou hij pas geleidelijk worden, maar als voordrachtskunstenaar en schrijver. In dezelaatste hoedanigheid lanceerde hij spoedig een serie voor kinderen, "de Familie Mulder" genaamd, waarin hij een eigenwijs oud mannetje - Ome Keesje genaamd liet opdraven. Dit mannetje werd door van Cappellen zelf gespeeld en hij heeft dat twintig jaar lang volgehouden. Van Cappellen begreep, dat wilde het hoorspel zoals hem dat voor ogen stond een eigen vorm krijgen, hij niet moest werken met acteurs die 'het grote toneel' gewend waren, maar met mensen die de intimiteit van de radio aanvoelden.




Voor het idee om acteurs en actrices hiervoor speciaal op te leiden vond hij onmiddellijk steun bij zijn programmaleiding. Mede door het feit dat men voor de propagandatoernees van de VARA regelmatig over een groep acteurs en actrices moest kunnen beschikken, werd in 1932 besloten een eigen radiogezelschap op te richten. Deze ontwikkeling is van veel belang geweest voor de hoorspelgeschiedenis, want het was dit radiogezelschap waaruit na de oorlog de hoorspelkern van de Nederlandse omroep zou ontstaan.




Bij het VARA radiotoneel maakte in 1933 een tweede regisseur zijn opwachting - S. de Vries jr.-. Hij was in alle opzichten een radioman, die vond dat het hoorspel een eigen weg diende in te slaan en los moest komen van toneel of film. Alhoewel hij allerminst vijandig tegenover het toneel stond, wenste hij alles wat 'des toneels' was uit de studio te bannen. Hij had, zeker voor die tijd, een verbluffende feeling voor stemnuance en het effect daarvan op de luisteraar. Voortbordurend op het voorbereidende werk van van Cappellen zocht hij meer en meer naar oorspronkelijk werk en voor zover dat niet voorhanden was in eigen land, haalde hij het uit het buitenland, voornamelijk uit Duitsland en Engeland.

S. deVries streefde een zo groot mogelijke natuurlijkheid en perfectie na en zelfs de geringste pathos kon in zijn oren geen genade vinden. Hij wenste het effect alleen te bereiken door de stemmen in de juiste verhouding tegenover elkaar te plaatsen en zo de suggestie van realiteit over te brengen. Het verschil in opvatting over de uitvoering van een hoorspel met de op dit terrein meer elitaire AVRO deed de publieke belangstelling overigens sterk stijgen en uiteindelijk ging het daar toch om.

Want hoewel Kommer Kleijn natuurlijk best besefte dat een hoorspelstudio geen schouwburg was, zou het toch nog een hele tijd duren voordat hij zijn stukken zou afstemmen op de specifieke mogelijkheden die radio biedt.

[ VORIGE ] [ VOLGENDE ]